Ome József, tovenaar met een bierbuik

Deze week werd mijn favoriete Feyenoorder aller tijden 55 jaar: József Kiprich, de Tovenaar van Tatabánya (mooiste bijnaam denkbaar). Voor mij is Kiprich niet alleen een cultheld, ik voel me met hem verbonden. Zeker rondom zijn verjaardag of andere schaarse momenten waarbij Kiprich ineens voorzichtig opduikt. 

Terwijl ik dit schrijf, probeer ik mij te bedenken hoe het nu toch komt dat deze Hongaarse spits mij zoveel doet. Hij speelde in de Kuip toen ik Feyenoord nog niet beleefde zoals ik dat nu doe. Ik heb hem slechts een paar keer live zien spelen, toen ik als kereltje van een jaar of 6 of 7 sporadisch naar het mooiste stadion ter wereld ging. En nu woont hij, hoe mooi, gewoon weer in Tatabánya. Een oude, wijze, ietwat aandoenlijke tovenaar. 

Kortom: er is weinig wat ons – József en mij – zou moeten binden. Spelers als Pellè, Kuyt, Tomasson en Guidetti heb ik veel bewuster meegemaakt, hebben mij veel harder doen juichen en lieten me soms genadeloos in de steek. 

Bierbuikje

Toch houd ik zielsveel van Kiprich. Als ik oude beelden van hem zie, smelt ik. Wanneer hij scoorde, gooide hij meestal twee armen in de lucht. Als hij gewisseld werd, klapte hij met z’n handen weleens zo hoog en oprecht dat zijn bierbuikje onder z’n shirt vandaan kwam. Als hij een interview gaf, lachte hij als een lieve zoon, of een goede broer of vriend. Zijn ogenschijnlijke dankbaarheid om door tienduizenden supporters intens gewaardeerd te worden, was goud waard. Met pijn in zijn hart nam hij afscheid en hij wist dat het voetballeven nóóit meer zo mooi zou worden.

Verloren oom

Laatst keek ik nog even naar zijn afscheid, en ik overdrijf niet: ik had een gigantische brok in m’n keel. De tovenaar verliet Zuid. Het voelt in retrospect nog steeds alsof mijn favoriete oom weg gaat en nooit meer terugkomt. Kiprich is eigenlijk de lieve, zorgzame, warme oom, die niet mijn oom is. Ik heb ook het gevoel dat we elkaar ontzettend aardig zouden vinden. Dat als ik ooit in de gelegenheid ben naar Tatabánya te gaan, ik er een fantastische tijd zou hebben met hem. En met de tranen in mijn ogen weer zou vertrekken. 

Een paar jaar geleden mocht Iwan van Duren (VI) bij Kiprich langs. Telkens als het over Varkenoord, de Kuip en Feyenoord ging, kreeg de tovenaar het lastig. Als hem gevraagd werd of hij iets op de jeugdafdeling van ons cluppie zou willen doen, trokken zijn mondhoeken op en glinsterden zijn ogen. Met moeite kreeg hij er een ‘ja’ uit. Je kon hem bijna niet horen, maar zelden was zo’n moeizame ‘ja’ zó overtuigend. 

Proost!

Ik pleitte eerder voor Kiprich als lid van de technische staf, omdat hij de club wat liever en aanraakbaarder zou maken. Ik sta daar nog steeds achter, overigens. Ik zou hem dolgraag weer rond de Kuip willen zien. 

Maar tegelijkertijd is het misschien beter om het zo te laten. Dat József Kiprich gewoon die oersympathieke en misschien wel liefste Feyenoorder ooit blijft, omdat ‘ie zo in mijn herinnering nu eenmaal is en niets meer fout kan doen. Ik hoop, en weet bijna zeker, dat de tovenaar op ons geproost heeft in zijn huisje in Hongarije. Met een blikje bier, een shaggie en een blokje kaas. Ik hoop dat hij een fijne verjaardag heeft gehad. Van harte, held! 

– Rob.