Maak Feyenoord weer aanraakbaar

,,Feyenoord is niet zo’n leuke club meer”, zei ik in een van onze afleveringen. Dat zei ik niet om lekker zuur te zitten doen, maar omdat ik het oprecht meen. Ik houd van het shirt, het stadion, van sommige spelers zeker ook. Ik hou van een biertje op Varkenoord vooraf. Langs het veld, leunend tegen gammele reclamebordjes of – als het giet – onder de kleine overkapping van het al jaren leegstaande clubgebouwtje. En hoe niet-2018 het ook is, het ademt en leeft er gigantisch.

Onbedoeld is de PMDS op Varkenoord een heerlijk houvast voor supporters, want daaromheen giert er een wervelwind van ontwikkelingen. Rondom Feyenoord City, rondom het nieuwe trainingscomplex, rondom ‘fanbeleving’, rondom het brengen van slechte resultaten op het veld met olijke, doch verdrietige smileys. Het is wat plastisch. 

Concern

Ons cluppie is bezig een concern te worden. Een beetje ‘mes que un club’, maar dan anders. In dossiers praten we over overlastbeperking voor residentials, over hoe wij massaal bij De Beren of luxer gaan eten als het nieuwe stadion staat, over hoe we nog een shirt of sjaaltje kopen, vlak voor we de poorten van Feyenoord City betreden. 

Maar waar dat ‘niet zo leuk meer’ echt in zit, is de afstand. Trainingen zijn bijna altijd besloten, om spelers en staf zo goed mogelijk te kunnen laten focussen op de wedstrijden. Ook na slechte weken, terwijl spelers van al die bescherming écht niet mentaal sterker worden. Het gebrek aan toegankelijkheid steekt me weleens, omdat we zo graag een volksclub willen zijn.

Aanraakbaar

Zo’n Kameraadjesdag is een verademing. Ik was erbij. Geloof het of niet, maar menig ouder vindt het minstens zo mooi om Van Persie, Gio, Berghuis of desnoods Hansson eens van dichtbij te zien, de hand te kunnen schudden. En de reden is eenvoudig: dat kan op andere momenten nauwelijks. 

Feyenoord moet weer aanraakbaar, aaibaar worden. En nee, het zal nooit meer gebeuren dat we met 5.000 man en fakkels de laatste training voor de Klassieker bij kunnen wonen. Ook zullen we nooit meer – zoals onze Johan meemaakte – door Taument en De Goey na een training mee naar binnen worden gevraagd, omdat het ‘veel te koud’ is buiten.

Jumbo

Dat geeft ook niet, tijden zijn veranderd. Maar doe op z’n minst je best om je belangrijkste bezit – je supporters – dichterbij te krijgen. Dat doe je niet door fans met de Gouden Beker, hoe leuk ook, op de foto te zetten, of met andere eenmalige acties. Dat doe je door de houding te veranderen.

En daar komt de derde assistent om de hoek kijken. Die vacature is nog leeg, hoewel Denny Landzaat een goede kans schijnt te maken. Doe het niet. Niet dat ik enig idee heb of Landzaat goed in z’n vak is, misschien is ‘ie briljant. Maar we hebben iemand anders nodig. Iemand die ons Feyenoorders het gevoel kan geven dat de club ook een beetje van ons is. Bij wie we het idee hebben dat we hem zomaar eens bij de Jumbo of in een parkje tegen kunnen komen. De gedachte alleen al, helpt de kloof een stukje te dichten.

Kiprich

Mijn advies: haal József Kiprich naar de Kuip. Iedereen houdt van de Tovenaar van Tatabánya. Om zijn nederigheid, om zijn overkomen, om z’n – toen al – kleine bierbuik, om z’n lieve accent en om zijn gastvrijheid. Als je in de buurt van Tatabánya bent, krijg je een bakkie van ‘m. Een tijdje geleden zocht Iwan van Duren (Voetbal International) hem op. Zodra de woorden ‘Legioen’, ‘Feyenoord’ of ‘De Kuip’ vallen, glunderde hij. Soms leek hij zelfs wat emotioneel te worden. Terugkeren naar Rotterdam-Zuid, het zou een droom voor hem zijn. En voor mij ook.

– Rob.